Welkom op de site van Frank Neijndorff

Mijn naam is Frank Neijndorff en ben geboren op 27 oktober 1929 te Surabaja, Nederlands Indië. Na jaren als ambtenaar te hebben gewerkt, ben ik begonnen met schrijven in 1995. Op deze pagina's kunt u het een en ander vinden over mij en mijn boeken.

T.V. uitzendingen
De Nederlandse Programma Stichting (NPS) zond een serie "Levensverhalen" uit. Dit programma bestond uit een zestal portretten van onbekende Nederlanders dat door François de Waal en Jim van der Hoeven op Ned. 3 werd uitgebracht.
Op zondag 9 maart 1997, 16:10 uur, kwam ik in beeld gedurende 50 minuten met een interview o.a. over "Mijn Jeugd in Nederlands Indië".
"Het levenspad van een mens is de optelling van zijn persoonlijke belevenissen", aldus het stemgeluid van acteur Henk van Ulsen, die de serie inleidde.
Een herhaling van dit programma vond plaats in mei 1998.

De lokale zender TV 5 Amsterdam zond hetzelfde programma uit op 24 mei 1998 en in 1999 een interview over mijn boeken.

Radio Nederland Wereld Omroep; afdeling Indonesië, zond in het Bahasa Indonesia een interview uit in 1997 onder de titel: "Lihat belakang" (Achterom gekeken).
Frank Neijndorff

Aantal bezoekers:
Site Meter


De Stichting Mondelinge Geschiedenis Indonesië, afdeling Historische Documentatie (HISDOC) van het Koninklijk Instituut voor de Tropen en Land en Volkenkunde (KITLV), Reuvensplaats no 2 te Leiden, nam in 1999 een interview op dat werd opgeslagen op compact disks onder het respondentennummer 1295. Het interview kan daar ter plaatse door een ieder na overleg worden beluisterd.

Vraaggesprek met Frank Neijndorff
Kawat berichten jaargang 17, juni 1999

Op een zonnige dag in mei bezoek ik Frank in zijn mooi ingerichte flat. Daar woont hij met zijn vriend Jan. Aan de muur hangen enkele schilderijen die fraaie beelden oproepen van Indonesië. Ik ga Frank interviewen omdat hij een Indische jongen is van zeventig jaar, die boeken schrijft over Indië de Japanse tijd, de bersiapperiode, maar ook over Indonesische dieren en vruchten. Ik ben nieuwsgierig en stel hem mijn eerste vraag.

Zeg Frank, hoe ben jij indertijd ertoe gekomen om boeken te gaan schrijven?
"Dat kwam zo: Ik had tweeëndertig jaar als ambtenaar gewerkt bij het ministerie van Sociale Zaken en hield toe eerder op met werken. Dat kon vanwege bezuinigingen op het ministerie. Omdat ik in een bersiapkamp van 1945 - 1947 als jongen van zestien te zwaar werk heb moeten verrichten en daarvan lichamelijke klachten had gekregen, heb ik een WUBO-uitkering aangevraagd. Helaas kreeg ik de erkenning als oorlogsslachtoffer niet. Uit kwaadheid ben ik toen mijn ervaringen tijdens de Japanse bezetting en bersiap op gaan schrijven. Dat verhaal heb ik toen aan de WUBO gezonden o.a. aan dokter Koppenol. Hij schreef mij terug dat hij erg onder de indruk was van mijn verhaal en ik kreeg alsnog mijn erkenning als burgeroorlogsslachtoffer in de vorm van een WUBO-uitkering. Daarna leek het mij dat het goed zou zijn om mijn verhaal als boek uit te geven. Misschien konden anderen ook wat eraan hebben. Het bleek helaas moeilijk om een uitgever bereid te vinden om het uit te geven. Op aanraden van Lilian Ducelle ben ik het toen in eigen beheer gaan uitgeven."

Hoe heette je eerste boek?
"'Achterom gekeken. Mijn Jeugd in Nederlands Indië 1929 - 1949.' De eerste druk was in 1995. In hoofdstuk 1 beschrijf ik ons Indische familieleven voor de oorlog. Hoofdstuk 2 gaat over de Japanse bezetting en in hoofdstuk 3 heb ik mijn ervaringen in de bersiaptijd beschreven. Wij woonden in Surabaja voor de oorlog. In de Japanse tijd werden wij niet geïnterneerd omdat wij er bruin uit zagen. Alleen mijn oudste broer werd opgepakt. Met mijn vader en moeder, twee zusjes en oma kon ik buiten het Japanse kamp blijven. We moesten wel zelf in ons onderhoud zien te voorzien. Veel erger voor ons was de zg. bersiaptijd, waarin Indonesische jongeren (pemuda) met bamboespietsen (bambu rucing) de Nederlanders te lijf gingen. Vanaf 17 augustus 1945 reden ze dagen en nachten door de stad en schreeuwden alsmaar: merdeka, merdeka (vrijheid, vrijheid). Dat was voor ons Indische Nederlanders erg bedreigend. Maar het werd daarna nog veel erger. Op 15 oktober drongen Indonesiëers ons huis binnen. Mijn vader en moesten mee. Ik werd later weer vrijgelaten, maar mijn vader werd met andere mannen naar de Van der Werf-gevangenis gebracht. Daar werden de verhoren voortgezet en vijftig mannen gedood. Gelukkig bleef vader in leven. Op 19 oktober werden de Nederlandse vrouwen en kinderen, dus ook wij, geïnterneerd. We hebben de slag om Surabaja, van 25 oktober tot 1 december 1945, meegemaakt. De ergste tijd was voor mij in het kamp Gombong, waar ik alleen zat en erg ziek geweest ben."

Als ik me goed herinner, heb je je boek in 1995 op de Pasar Malam in Den Haag zitten signeren. Klopt dat?
"Zeker. De mensen vroegen of ik volgend jaar weer met een boekje kwam. Zodoende ben ik verder gaan schrijven. Het vervolg werd 'Een Indo in Holland'. Het gaat meer in het algemeen over de geschiedenis van de Indische Nederlanders, hun repatriëring naar Nederland. Wat mijn eigen familie betreft, die woonde al zeven generaties in Indië. Mijn betovergrootvader, Joachim Neijndorff, kwam uit Karlskroon in Tsjechië. Hij ging in 1745 als bottelier werken voor de VOC en vertrok met het schip 'Overnes' naar Indië. Daar trouwde hij met een Française, Maria Magdalena de la Tour. Daarvan hebben we nog een testament, waarin o.a. staat dat ze drie slaven had en twee chintzjaponnen, die nu alleen nog in musea te zien zijn."

Hoe zit het eigenlijk met je schoolopleiding? Kon je in de Japanse tijd wel naar school?
"In de Japanse tijd kon ik niet naar school, want de Nederlandse scholen waren gesloten en op de Indonesische scholen werd ik niet toegelaten. Ook in de bersiaptijd was er geen onderwijs voor ons. Pas daarna, in februari 1947, kwam ik vrij uit het kamp Gombong. Ik ging weer naar ons huis in Surabaja, waar intussen ook mijn ouders en twee zussen ook aangekomen waren. Mijn broer Hans bleek de Birma-spoorweg overleefd te hebben. Ik moest toelatingsexamen doen voor de HBS in Surabaja. Gelukkig lukte dat. Ik werd toegelaten tot de overbruggingsklas van de HBS. Intussen was ik vijf jaar niet naar school geweest. Wanneer gingen jullie naar Nederland?
"Na de soevereiniteitsoverdracht aan Indonesië ginen wij in 1950 met de 'Willem Ruys' naar Nederland. Mijn broer Hans, die bestuursambtenaar was, ging samen met zijn vrouw en zoontje Mark het eerst in januari '45 naar Nederland. Daarna vertrokken mijn zus Grace en haar man. Mijn oudste zus was intussen in 1948 door ziekte overleden, het gevolg van jarenlange ontberingen."


Zie kolom hiernaast voor het vervolg.



Wat ben je gaan schrijven na die twee boeken over je levensgeschiedenis?
"Toen had ik de behoefte om wat vrolijker boeken te gaan schrijven. Ik schreef 'Indonesische dierenfabels' en 'Indonesische vruchtverhalen'. Verder heb ik ook nog twee boeken geschreven over onderwerpen die niet met Indië te maken hebben, maar wel met mijzelf. Het ene boek heet 'Perikelen van een ambtenaar' en het andere 'De geschiedenis van en ervaringen met een homo-organisatie: 'Stichting de Kringen''. In het ambtenarenboek heb ik vooroordeel over de Indische mensen dat ze lui en langzaam zij, aan de kaak gesteld. Indische ambtenaren waren doorgaans veel ijveriger en punctueler dan de Hollandse ambtenaren. Het boek over de tweede homo-organisatie in Nederland naast het COC heb ik geschreven ter gelegenheid van het vijfentwintigjarig bestaan van Stichting de Kringen. Deze stichting was in 1963 opgezet door drie pastoors, ds. Brussaard, pater Godschalk en ds. Alje Klamer van het radiopastoraat. Wij hebben vanaf het begin meegewerkt. Onze stichting is er voor homo's die zich niet thuis voelen in bars e.d. Vooral ambtenaren, maar ook veel intellectuelen, voelen zich bij onze organisatie thuis."

Ik heb gehoord dat binnenkort je zevende boek uitkomt.
Hoe gaat dat heten?

"Dat klopt. Het heeft als titel 'Nederlands-Indië. Drie oma's'. Ik vond dat vrouwen nu eens in het zoeklicht moesten komen. Ik denk dan aan vrouwen zoals mijn moeder. Zij heeft een grote invloed gehad op mijn opvoeding. Vrouwen gaven de cultuur door. Zij waren het familiemiddelpunt in de bersiaptijd, toen de mannen weggevoerd waren. Ook al eerder in de geschiedenis gaven de vrouwen de beschaving door. De drie oma's zijn een Nederlandse vrouw, een Chinese vrouw en een Indonesische vrouw. Het gaat niet over mijn eigen oma's, maar het zouden mijn oma's kunnen zijn. Ze zijn een voorbeeld van de vrouwen, die in Ned. Indië geleefd hebben. Door de levens van deze vrouwen te beschrijven, krijgt de lezer een beeld van de vermenging van culturen die heeft plaatsgevonden. Daarbij speelden geloof en bijgeloof, gebruiken en gewoonten een grote rol. De drie families van de oma's repatriëren uiteindelijk naar Nederland, net zoals veel Indische families gedaan hebben. Het roept een beeld op van onze eigen familiegeschiedenis."

Wanneer presenteer je het boek?
"In juni, op de Pasar Malam in Den Haag, zal ik het weer signeren als men het koopt bij de stand van boekhandel Van Stockum."

Een misschien wat merkwaardige vraag, maar ik hoor dat veel Indische mensen moeite hebben om naar tv-beelden over de vluchtelingen uit Kosovo e.d. te kijken. Hoe is dat voor jou?
"Ik vind het vreselijk om ernaar te kijken, maar ik denk wel: Vroeger hadden ze niet zo'n medelijden met ons uit Indië. Wij moesten ook huis en haard verlaten. Ik heb ook als kind vijfentwintig kilomater moeten lopen van Surabaja naar een kamp in Sidoarjo in de hete zon . Op ons werd ook geschoten. Wij deden dan witten lakens aan een stok. Dan zagen ze van boven in de vliegtuigen dat we burgers waren en geen militairen. Het was eigenlijk net zo erg. Je vertelde het wel, maar de mensen konden het niet zien. Vroeger was er geen tv. Nu wel. Daardoor zijn de beelden nu veel doordringender en schrijnender."

In Indonesië is de situatie op het ogenblik niet zo gunstig. Hoe kijk je tegen het land aan? Ben je er nog wel eens terug geweest?
"In 1975 ben ik er met Jan terug geweest. Ik wilde jarenlang niet, want ik had gezien dat zo'n rondreis van een reisorganisatie door Oost-java ging, vlak langs Gombong, waar ik in het kamp gezeten had. Daar zag ik tegenop. Ik had het idee dat ze daar het felst tegen de Nederlanders waren. Op onze treinreis was dat ook de enige plaats waar we niet welkom waren, waar ze geen hallo riepen. Ik had me voorgenomen om te doen alsof ik er nooit geweest was, zodat het niet kon tegenvallen.
Maar dat ging natuurlijk niet. Ik vond het wel fijn om familieleden te ontmoeten, die daar woonden. Een tante bijvoorbeeld. Intussen is zij overleden. Ik vond het weer zo'n prachtig land. Maar ik hoef er nu niet meer heen. Mijn tante is overleden en die achterneven en -nichten ken ik toch niet meer. Ik ben nu tevreden hier in Nederland, o.a. met het schrijven van boeken."

Waar kunnen de mensen je boeken kopen?
"In de eerste plaats bij boekhandel Van Stockum in Den Haag, tel. (070) 3656808 en bij boekhandel Paagman in Leidschendam, tel. (070) 3271202. Verder bij gerenommeerde boekhandels in de grote steden, zoals Scheltema Holkema Vermeulen in Amsterdam en Broese en Kermink in Utrecht. En op de Pasar Malam!"

Bedankt en veel succes!

Tineke Korvinus, redactie